steken

[onregelmatig werkwoord]
  1. hem raken met een puntig voorwerp
    vb:de wesp stak in mijn wang
    1. de zon steekt [hij schijnt zo fel dat het pijn doet]
    2. het steekt hem dat .... [het doet hem pijn dat ....]
  2. het erin of erop doen
    vb:zij steekt de sleutel in het slot
  3. eraan besteden
    vb:hij steekt al zijn geld in CD's
  4. erin vastzitten
    vb:we bleven steken in de nauwe gang
algemene uitdrukkingen:
  1. dat steekt niet zo nauw [dat hoeft niet zo precies]
  2. daar steekt iets achter [daar zit iets achter]
  3. in brand steken [laten branden]
Meer informatie bij:
al achter besteden brand branden dat de daar doen een fel gang geld hem hij het iets in laten met mijn nauw niet of pijn precies raken sleutel slot wang we zij zo zon
onregelmatig werkwoord: ste-ken
ik steek
jij/u steekt
hij/zij steekt
wij/zij/jullie steken
ik/jij/u/hij/zij stak
wij/zij/jullie staken
hij heeft gestoken
woordenindex, inhoud