tegen

[voorzetsel, bijwoord]
  1. het raakt iets of iemand anders aan
    vb:de fiets staat tegen de muur
  2. het wordt bestreden
    vb:dit tablet is tegen de hoofdpijn
    1. Ajax voetbalt tegen Feijenoord [deze clubs zijn elkaars tegenstander]
    tegenstelling: voor
  3. nog net niet
    vb:het is tegen zes uur
  4. je bent het er niet mee eens
    vb:ik ben tegen discriminatie
    1. tegen zijn wens [hij wil het niet]
    2. hij heeft het tegen wil en dank gedaan [hoewel hij het eigenlijk niet wilde]
    3. ik heb er niets op tegen [ik vind het prima]
    synoniem: anti
    tegenstelling: voor
  5. het is niet gunstig
    vb:alles zit hem tegen
    tegenstelling: mee
algemene uitdrukkingen:
  1. ik kan er niet tegen [ik vind het heel vervelend]
  2. tien tegen één dat .... [er is een hele grote kans op]
  3. je iets tegen eten [er zoveel van eten dat je het niet meer lust]
  4. tegen alle verwachting [niemand had het verwacht]
Meer informatie bij:
alle alles anders aan dat de dank deze discriminatie dit er en een eens eigenlijk eten fiets gunstig heel hem hij hoewel het iemand iets ik je kans mee meer muur niemand niet niets nog op of staat tablet tegenstander uur van vervelend verwachting wens wil zoveel
voorzetsel: te-gen
bijwoord: te-gen
woordenindex, inhoud