teen

[zelfstandig naamwoord]
  1. beweegbaar uitsteeksel aan je voet, met nagel erop
    vb:mensen hebben tien tenen
    1. met kromme tenen [vol schaamte en ergernis]
    2. gauw op zijn teentjes getrapt zijn [snel beledigd zijn]
    3. lange tenen hebben [snel beledigd zijn]
    4. op je tenen lopen [meer moeten doen dan je eigenlijk aankunt]
Meer informatie bij:
aan dan doen en eigenlijk gauw hebben je lopen meer met moeten op snel voet vol
zelfstandig naamwoord: teen
de teen
de tenen
het teentje
woordenindex, inhoud