vast

[bijvoeglijk naamwoord, bijwoord]
  1. stevig met iets verbonden, niet beweegbaar
    vb:het plakband zit erg vast
    1. vaste vloerbedekking [aan de randen van de vloer vastgemaakt]
    tegenstelling: los
  2. stevig
    vb:de zieke mag nog geen vast voedsel
    1. vaste stoffen [geen vloeistof en geen gas]
  3. steeds hetzelfde
    vb:in deze winkel hebben ze vaste prijzen
    1. vast slapen [heel diep]
    2. nog geen vaste plannen [nog niet weten wat je gaat doen]
  4. waar je niet aan twijfelt
    vb:hij komt vast wel
    1. vast en zeker [zonder twijfel]
    2. een vaste betrekking [waar je niet elk moment uit ontslagen kunt worden]
    3. het lukt me vast wel [zeker]
    synoniem: zeker
    tegenstellingen: vermoedelijk waarschijnlijk
  5. zonder te wachten
    vb:ik ga vast
    synoniem: alvast
Meer informatie bij:
aan betrekking de deze diep doen en een elk erg gas geen hebben heel hetzelfde hij het iets in ik je met moment me niet nog slapen steeds stevig te uit van vloeistof vloer waar wachten wat wel weten winkel worden ze zeker zonder
bijvoeglijk naamwoord: vast
vaster
bijwoord: vast
woordenindex, inhoud