voor

[voorzetsel, bijwoord, voegwoord]
  1. aan de voorkant ervan
    vb:de auto staat altijd voor het huis
    1. hij heeft een schort voor [voor zijn lichaam]
    2. aan de voorste speen liggen [meer krijgen dan de anderen]
    tegenstelling: achter
  2. eerder dan
    vb:ik was voor jou aan de beurt
    1. ik was hem voor [net even eerder dan hij]
    synoniem: voordat
    tegenstelling: nadat
  3. wie het krijgt
    vb:dit boek is voor jou
    tegenstelling: van
  4. welk doel het heeft
    vb:dit is geld voor de trein
  5. in plaats van
    vb:dit is een kwartje voor de moeite
    1. ik heb het voor weinig geld gekregen [ik moest weinig betalen]
    2. dat is voor eigen rekening [dat moet je zelf betalen]
  6. waar je een voorstander van bent
    vb:ik ben voor Ajax
    1. ik ben er niet voor [er geen voorstander van]
    2. ik stemde voor de VVD [mijn stem ging naar die partij]
    tegenstellingen: tegen anti
  7. beter of verder dan anderen
    vb:ik ben drie lessen voor
algemene uitdrukkingen:
  1. voor één keer [alleen deze keer]
  2. wat is dat voor ding? [welk soort ding is dat]
  3. hij doet dat voor zijn plezier [omdat hij het leuk vindt]
  4. ik ben vandaag voor het eerst geweest [vandaag was de eerste keer]
  5. voor het geval dat het gaat regenen [als het gaat regenen]
Meer informatie bij:
alleen als altijd aan betalen beter beurt boek dat de dan deze ding dit doel er een eerder eerst eigen even geen geld geval hem hij huis het in ik je jou keer krijgen kwartje leuk lichaam liggen meer moeite mijn naar niet omdat of partij plaats plezier regenen rekening schort soort staat stem trein van vandaag verder voorstander waar wat weinig welk wie zelf
voorzetsel: voor
bijwoord: voor
voegwoord: voor
woordenindex, inhoud