warm

[bijvoeglijk naamwoord]
  1. met een hoge temperatuur
    vb:in de zomer is het vaak warm buiten
    1. warm eten [maaltijd waarbij het eten warm opgegeten wordt]
    2. het ging er warm aan toe [er werd flink gevochten]
    3. hij werd er niet warm of koud van [trok zich er niets van aan]
    4. ik loop er niet warm voor [word er niet enthousiast over]
    tegenstellingen: koud kil
  2. hartelijk en vriendelijk
    vb:we werden warm ontvangen bij die familie
    1. het warm aanbevelen [van harte aanbevelen]
    tegenstellingen: koud kil koel
algemene uitdrukkingen:
  1. je bent warm [je hebt het bijna gevonden]
  2. warme kleuren [die een prettige indruk geven]
Meer informatie bij:
aan bijna buiten de er en een eten familie flink geven hartelijk hij het in indruk ik je koud maaltijd met niet niets ontvangen of temperatuur toe vaak van voor vriendelijk we zich zomer
bijvoeglijk naamwoord: warm
warmer
warmst
woordenindex, inhoud