wil
[zelfstandig naamwoord]
- vermogen om bewust iets te proberen te doen
vb:zij geeft het niet gauw op, ze heeft een sterke wil
- tegen wil en dank werd hij trainer
[hij wilde het eigenlijk niet]
- ter wille van de kinderen
[voor de kinderen]
- hem ter wille zijn
[helpen met wat hij vraagt]
- uit vrije wil
[zonder dat je gedwongen wordt]
- hij is van goede wil
[bedoelt het goed]
- met de beste wil van de wereld niet
[hoe ik het ook probeer]
- voor elk wat wils
[voor iedereen iets wat hij leuk vindt]
Meer informatie bij:
bewust dat de dank doen en een eigenlijk elk gauw helpen hem hij hoe het iedereen iets ik je leuk met niet om ook op proberen te tegen uit van vermogen voor wat wereld ze zij zonder
- zelfstandig naamwoord: wil
- de wil
het willetje
woordenindex, inhoud