zaak

[zelfstandig naamwoord]
  1. plaats waar men iets maakt of doet om geld te verdienen
    vb:Arie heeft een eigen zaak
    1. zaken doen [het sluiten van overeenkomsten]
    2. zaken gaan voor het meisje [je werk is belangrijker dan een afspraakje]
    3. zijn zaken waarnemen [zijn belangen behartigen]
    synoniemen: bedrijf onderneming
  2. voorwerp
    vb:op de markt kun je allerlei zaken kopen
    synoniem: ding
  3. waar het over gaat
    vb:dit is een zaak voor de politie
    1. de zaak komt voor [de rechtszaak]
    2. hij is ter zake kundig [hij weet er veel van]
    3. kom ter zake! [zeg wat je te zeggen hebt]
    4. dat doet niet ter zake [is niet belangrijk]
    5. de stand van zaken [hoe het ervoor staat]
    6. het fijne van de zaak vertelt hij niet [de precieze gegevens]
    7. dat is mijn zaak [daar heb jij niets mee te maken]
    synoniem: kwestie
algemene uitdrukkingen:
  1. zoals de zaken nu staan ... [zoals de situatie nu is]
  2. het is zaak om ... [we moeten ervoor zorgen]
Meer informatie bij:
allerlei belangrijk dat de daar dan dit doen er een eigen gaan geld hij hoe het iets je jij kopen maken markt mee meisje men moeten mijn niet niets nu om op of plaats politie rechtszaak situatie sluiten staan staat stand te van veel verdienen voor waar wat we werk zeggen zoals zorgen
zelfstandig naamwoord: zaak
de zaak
de zaken
het zaakje
woordenindex, inhoud