afstand

[zelfstandig naamwoord]
  1. ruimte tussen twee plaatsen of dingen
    vb:welke afstand hebben jullie gelopen?
    1. je moet een beetje afstand nemen [er niet meer zo druk mee bezig zijn]
    2. er afstand van doen [het opgeven, het afstaan]
    3. iemand op afstand houden [zorgen dat hij niet in je buurt komt]
Meer informatie bij:
beetje bezig buurt dat doen er een hebben hij houden het iemand in je jullie mee meer nemen niet op opgeven of plaatsen ruimte tussen van zo zorgen
zelfstandig naamwoord: af-stand
de afstand
de afstanden
het afstandje
woordenindex, inhoud