afstand
[zelfstandig naamwoord]
- ruimte tussen twee plaatsen of dingen
vb:welke afstand hebben jullie gelopen?
- je moet een beetje afstand nemen
[er niet meer zo druk mee bezig zijn]
- er afstand van doen
[het opgeven, het afstaan]
- iemand op afstand houden
[zorgen dat hij niet in je buurt komt]
Meer informatie bij:
beetje bezig buurt dat doen er een hebben hij houden het iemand in je jullie mee meer nemen niet op opgeven of plaatsen ruimte tussen van zo zorgen
- zelfstandig naamwoord: af-stand
- de afstand
de afstanden
het afstandje
woordenindex, inhoud