algemeen
[bijvoeglijk naamwoord]
- voor of van iedereen
vb:deze wasmachine is voor algemeen gebruik
- het voorstel is met algemene stemmen aangenomen
[niemand was ertegen]
- het is algemeen bekend
[iedereen weet het]
- niet van een speciale afdeling
vb:hij is algemeen directeur van deze school
Meer informatie bij:
afdeling bekend deze directeur een gebruik hij het iedereen met niemand niet of school stemmen van voor voorstel
- bijvoeglijk naamwoord: al-ge-meen
- algemener
algemeenst
woordenindex, inhoud