algemeen

[bijvoeglijk naamwoord]
  1. voor of van iedereen
    vb:deze wasmachine is voor algemeen gebruik
    1. het voorstel is met algemene stemmen aangenomen [niemand was ertegen]
    2. het is algemeen bekend [iedereen weet het]
  2. niet van een speciale afdeling
    vb:hij is algemeen directeur van deze school
Meer informatie bij:
afdeling bekend deze directeur een gebruik hij het iedereen met niemand niet of school stemmen van voor voorstel
bijvoeglijk naamwoord: al-ge-meen
algemener
algemeenst
woordenindex, inhoud