aandoen

[onregelmatig werkwoord]
  1. een kledingstuk om je heen doen
    vb:het is koud buiten, je moet een jas aandoen
    synoniem: aantrekken
    tegenstellingen: uitdoen uittrekken
  2. ervoor zorgen dat iemand iets ergs meemaakt
    vb:die schande kun je me niet aandoen!
    1. iemand een proces aandoen [ervoor zorgen dat iemand voor de rechter moet verschijnen]
  3. laten werken
    vb:wil je het licht aandoen?
  4. een goede of slechte indruk maken
    vb:dat hij zo beleefd is, doet plezierig aan
Meer informatie bij:
aan beleefd buiten dat de doen een heen hij het iemand iets indruk jas je koud laten maken me niet om of proces rechter verschijnen voor werken wil zo zorgen
onregelmatig werkwoord: aan-doen
ik doe aan
jij/u doet aan
hij/zij doet aan
wij/zij/jullie doen aan
ik/jij/u/hij/zij deed aan
wij/zij/jullie deden aan
hij heeft aangedaan
woordenindex, inhoud