akkoord [2]
[zelfstandig naamwoord]
- een stel afspraken
vb:Nederland en België hebben een akkoord gesloten
- het op een akkoordje gooien
[allebei wat toegeven om het eens te worden]
- samenklank van drie of meer tonen
vb:bij het eerste akkoord herkende ik het lied
Meer informatie bij:
allebei en een eens gooien hebben het ik lied meer om op of stel te toegeven tonen van wat worden
- zelfstandig naamwoord: ak-koord
- het akkoord
de akkoorden
het akkoordje
woordenindex, inhoud