aan
[bijwoord, voorzetsel]
- op of om je lichaam
vb:ik heb een trui aan
tegenstelling: uit
- het is in werking
vb:de radio staat aan
tegenstelling: uit
- aan elkaar vast
vb:de kar zit aan de auto
- ZVV is aan de bal
[de spelers van ZVV hebben de bal]
- ik vind er niets aan
[ik vind het niet leuk]
- om aan te geven wie iets krijgt
vb:Bas geeft de pen aan oma
- algemene uitdrukkingen:
-
- hij is er slecht aan toe
[het gaat slecht met hem]
- wie is aan de beurt?
[wie is de volgende klant?]
- hoe kom je aan die hoed?
[hoe heb je die hoed gekregen?]
- ik kan er niets aan doen
[ik kan het niet helpen, het is mijn schuld niet]
- ik vind er niets aan
[ik vind het helemaal niet leuk]
Meer informatie bij:
bal beurt de doen er een elkaar geven hebben helemaal helpen hem hij hoe hoed het iets in ik je klant leuk lichaam met mijn niet niets om oma op of pen radio schuld slecht staat te toe trui van vast werking wie
- bijwoord: aan
- voorzetsel: aan
woordenindex, inhoud