aflopen
[onregelmatig werkwoord]
- er komt een eind aan, het gaat voorbij
vb:de film is bijna afgelopen
- de afgelopen week
[de week die voorbij is]
- het loopt snel af met hem
[hij zal niet lang meer leven]
- het is een aflopende zaak
[het is nu snel voorbij]
synoniemen: eindigen verstrijken
tegenstellingen: beginnen starten
- schuin naar beneden lopen
vb:deze straat loopt een beetje af
synoniem: hellen
- ratelen
vb:de wekker loopt af
Meer informatie bij:
af aan beetje beneden bijna de deze er een eind film hem hij het lang lopen meer met naar niet nu schuin snel straat voorbij week zaak
- onregelmatig werkwoord: af-lo-pen
- ik loop af
jij/u loopt af
hij/zij loopt af
wij/zij/jullie lopen af
ik/jij/u/hij/zij liep af
wij/zij/jullie liepen af
hij is/ heeft afgelopen
woordenindex, inhoud