aflopen

[onregelmatig werkwoord]
  1. er komt een eind aan, het gaat voorbij
    vb:de film is bijna afgelopen
    1. de afgelopen week [de week die voorbij is]
    2. het loopt snel af met hem [hij zal niet lang meer leven]
    3. het is een aflopende zaak [het is nu snel voorbij]
    synoniemen: eindigen verstrijken
    tegenstellingen: beginnen starten
  2. schuin naar beneden lopen
    vb:deze straat loopt een beetje af
    synoniem: hellen
  3. ratelen
    vb:de wekker loopt af
Meer informatie bij:
af aan beetje beneden bijna de deze er een eind film hem hij het lang lopen meer met naar niet nu schuin snel straat voorbij week zaak
onregelmatig werkwoord: af-lo-pen
ik loop af
jij/u loopt af
hij/zij loopt af
wij/zij/jullie lopen af
ik/jij/u/hij/zij liep af
wij/zij/jullie liepen af
hij is/ heeft afgelopen
woordenindex, inhoud