bezet
[bijvoeglijk naamwoord]
- in gebruik door iemand anders
vb:de toilet is bezet
- ze zijn elke avond bezet
[ze hebben elke avond veel te doen]
- een ander land of een andere groep is er de baas
vb:dit gebied is bezet door de moslims
Meer informatie bij:
ander anders avond baas de dit doen door er een gebied gebruik groep hebben iemand in land of te toilet veel ze
- bijvoeglijk naamwoord: be-zet
woordenindex, inhoud