fris

[bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord]
  1. wat koud aanvoelt
    vb:er stond een frisse wind
    synoniem: koel
  2. nieuw, kortgeleden gemaakt
    vb:ik begon met frisse moed aan die baan
    1. ze heeft een frisse kijk op de zaak [ze kijkt er op een nieuwe manier naar]
    synoniem: vers
    tegenstellingen: muf oud
  3. schoon en helder
    vb:een fris gewassen handdoek
    tegenstellingen: benauwd muf
  4. drankje zonder alcohol
    vb:wil je ook een glaasje fris?
Meer informatie bij:
alcohol aan baan de er en een helder ik je koud manier met moed naar nieuw ook op schoon wat wil wind zaak ze zonder
bijvoeglijk naamwoord: fris
frisser
zelfstandig naamwoord: fris
het fris
de fris
woordenindex, inhoud