fris
[bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord]
- wat koud aanvoelt
vb:er stond een frisse wind
synoniem: koel
- nieuw, kortgeleden gemaakt
vb:ik begon met frisse moed aan die baan
- ze heeft een frisse kijk op de zaak
[ze kijkt er op een nieuwe manier naar]
synoniem: vers
tegenstellingen: muf oud
- schoon en helder
vb:een fris gewassen handdoek
tegenstellingen: benauwd muf
- drankje zonder alcohol
vb:wil je ook een glaasje fris?
Meer informatie bij:
alcohol aan baan de er en een helder ik je koud manier met moed naar nieuw ook op schoon wat wil wind zaak ze zonder
- bijvoeglijk naamwoord: fris
- frisser
- zelfstandig naamwoord: fris
- het fris
de fris
woordenindex, inhoud