hals
[zelfstandig naamwoord]
- lichaamsdeel waarmee het hoofd aan de romp zit
vb:om haar hals had ze een mooie ketting
- hals over kop
[erg haastig]
- je iets op de hals halen
[door je eigen toedoen ergens last mee krijgen]
synoniem: nek
- het smalle, bovenste gedeelte
vb:de hals van een fles
- algemene uitdrukkingen:
-
- onnozele hals
[sufferd]
Meer informatie bij:
aan de door een eigen erg ergens fles gedeelte hoofd haastig het halen iets je ketting kop krijgen last mee om op van ze
- zelfstandig naamwoord: hals
- de hals
de halzen
het halsje
woordenindex, inhoud