hals

[zelfstandig naamwoord]
  1. lichaamsdeel waarmee het hoofd aan de romp zit
    vb:om haar hals had ze een mooie ketting
    1. hals over kop [erg haastig]
    2. je iets op de hals halen [door je eigen toedoen ergens last mee krijgen]
    synoniem: nek
  2. het smalle, bovenste gedeelte
    vb:de hals van een fles
algemene uitdrukkingen:
  1. onnozele hals [sufferd]
Meer informatie bij:
aan de door een eigen erg ergens fles gedeelte hoofd haastig het halen iets je ketting kop krijgen last mee om op van ze
zelfstandig naamwoord: hals
de hals
de halzen
het halsje
woordenindex, inhoud