terug

 

 

 

    Hieronder staat een overzicht van alle vorige weekwoorden.

    Je kunt ook zelf makkelijk woorden opzoeken bij het online

    woordenboek van Van Dale.nl!

 

        ag·nos·tisch (bijv. naamw.)

volgens het agnosticisme => ongodsdienstig;

          wie niet in het bestaan van God gelooft

 

        buxi (bus en taxi) (mann. zelfst. naamw.)

        experimenteel kaartje voor het openbaar vervoer,

        geldig voor één taxirit en onbeperkt 'bussen' (enkele reis)

bedoeld om mensen in gebieden met weinig openbaar vervoer
tòch 'in de bus te krijgen'
 

       croo·nen (werkw.)

        (overdreven) gevoelig, neuriënd zingen, met de mond

        vlak voor de microfoon

 

 

        dys·fo·rie (vrouwelijk zelfst. naamw.)

         treurige stemming, neerslachtigheid, gevoel van onbe-

         hagen

 
 
        e·li·xer, e·li·xir  (onzijdig zelfst. naamw.)

            geneeskrachtig aftreksel van kruiden

 

        fan·go (mann. zelfst. naamw.)

        geneeskrachtige modder

 

      In verschillende kuuroorden wordt gebruik gemaakt van fango.

      Dit is een poedervormig materiaal van vulkanische oorsprong,

      dat wordt gemengd met speciaal water, of dat men laat 'rijpen'

      in dat water. De daardoor verkregen modder, fango genaamd,

      wordt vaak gebruikt bij het baden.

 

      Fango is speciale modder met een hoge zwavelconcentratie.

      Het verbetert de doorbloeding en de voeding van de huid.

      Met een temperatuur van 49 graden Celcius wordt de modder-

      plak op de rug aangebracht. Ideaal om te ontspannen en als

      voorbereiding op een massage. Speciaal geschikt voor mensen

      met spier- en gewrichtsaandoeningen.
 

        ge·nu'flex (mann. zelfst. naamw.)

        diepe buiging van een knie, al of niet uit godsdienstige verering 

 
 

      ha·li'to·se (vrouwelijk zelfst. naamw.)

                slechte adem

 

      

       i·dee-'fixe (vrouwelijk zelfst. naamw.)

                 denkbeeld dat men niet kwijt kan raken (= waandenkbeeld)

              je kunt dus niet stoppen met iets te denken, het raakt niet uit je hoofd

 

 

       jux·ta·po'si·tie (vrouwelijk zelfstandig naamwoord)

                   1. het naast elkaar plaatsen of geplaatst zijn, op dezelfde lijn plaatsen

                2. uitwendige aangroei (van lichamen die niet tot het dierenrijk behoren)

       

      

       ka·das'tre·ren (werkwoord)

                    het nauwkeurig opmeten en in kaart brengen van alle gronden en gebouwen binnen een gebied

 

 

       la·cri'mo·so (bijwoord)

                tragisch klagend (in de muziek)

                een muziekstuk klinkt dus heel tragisch en klagend als het in "lacrimoso" wordt gespeeld;

                van zichzelf kan muziek natuurlijk ook lacrimoso zijn

 

   

        mu'zak (mannelijk zelfstandig naamwoord)

                    ononderbroken achtergrondmuziek (in winkels, openbare gebouwen enz.)

                muzak wordt door velen oppervlakkig en opdringerig ervaren

 

       

        'nan·sen·pas (mannelijk zelfstandig naamwoord)

                paspoort voor mensen zonder nationaliteit

 

       

        o'weeër (mannelijk zelfstandig naamwoord)

                    wie oorlogswinst maakt of heeft gemaakt

 

 

        par'sec (mannelijk zelfstandig naamwoord)

                    eenheid van afstand: een parsec is 3.26 lichtjaar

               

                dus: als je een oneindig sterke lichtstraal 3.26 jaar zou laten schijnen,

                is de afstand die dat licht aflegt in die 3.26 jaar 1 parsec.

 

                de lichtsnelheid is 300.000 km. PER SECONDE...

 

 

        'qui·dam (mannelijk zelfstandig naamwoord)

                    1. iemand, een zeker persoon

                2. iemand die gekke streken uithaalt; ook kwidam

 

 

        ran'cu·ne (zelfstandig naamwoord)

                wrok, (opgekropte) bittere haat:

                Hij voelt geen rancune meer tegen zijn ex-vriendin, ook al behandelde zij hem slecht.

 

 

          so'lu·nair (bijvoeglijk naamwoord)

                    met zon en maan tegelijkertijd aan de hemel:

                Vorige week was er een solunaire periode.

 

 

        taxi·der'mie (vrouwelijk zelfstandig naamwoord)

                    de kunst van het opzetten van dieren

 

 

        un'di·ne (vrouwelijk zelfstandig naamwoord)

                    vrouwelijke geest die in of bij het water leeft

                (wordt ook wel waternimf genoemd)

 

 

        vexil·lo·lo'gie (vrouwelijk zelfstandig naamwoord)

                    dit is een wetenschap die zich bezig houdt met vlaggen. Vlaggen betekenen

                vaak iets: denk maar aan de zwart met wit-geblokte vlag als je een race wint,

                of aan de vlag van een land, waar vaak kleuren, wapens en leeuwen ook altijd

                iets betekenen.

 

                Iemand die dit in vlaggen bestudeert noemen we een vexilloloog.

 

 

         wa·di (mannelijk zelfstandig naamwoord)

                    rivierbedding (bodem) waar maar heel soms water in staat.

                dit komt het meeste voor in warme landen, waar water heel

                snel verdampt en snel iets droog komt te liggen.

 

 

        xy·lo'theek (vrouwelijk zelfstandig naamwoord)

                    verzameling (of collectie) van houtsoorten

 

 

        ye'ti (mannenlijk zelfstandig naamwoord)

                    de legendarische "verschrikkelijke sneeuwman" van het

                Himalaya gebergte, dit wezen wordt in Amerika ook wel

                "Bigfoot" genoemd, in Canada heet hij "Sasquatch".

                Net als het monster van Loch Ness en veel andere wezens,

                is nooit bewezen dat dit wezen wel of niet bestaat.

 

 

        'zwa·te·len (zwatelde, gezwateld) (werkwoord)

                    1) zacht ruisen

                2) druk door elkaar praten

                    3) zwetsen, zwammen

 

       

        a'zuur (onzijdig zelfstandig naamwoord)

                    1) hemelsblauwe kleur

                2) onbewolkte lucht

                3) hemelgewelf (oftewel: de uitgestrekte blauwe lucht; een gewelf is een soort bouwwerk)

 

 

        bi·pa'tri·de (mannelijk zelfstandig naamwoord)

                    wie meer dan één nationaliteit heeft

 

 

       ca·vi'ta·tie (vrouwelijk zelfstandig naamwoord)

                    het ontstaan van holten in snel stromende vloeistof,

                waardoor bijvoorbeeld in scheepsschroeven corrosie

                (= roesten) optreedt

 

 

       di·a'bo·lisch (bijvoeglijk naamwoord)

                    duivels, op duivelse manier

                bijvoorbeeld: "Op diabolische wijze liet hij de jongens in de val lopen."

 

 

        ei'de·ti·cus (mannelijk zelfstandig naamwoord)

                    iemand die oude, niet meer bestaande voorwerpen zich heel goed voor de geest

                kan halen, zelfs ZO goed, dat het lijkt alsof hij ze echt kan zien en kan aanraken

               

                    denk bijvoorbeeld aan gebruiksvoorwerpen die ze alleen vroeger gebruikten

 

 

      flam'bouw (mannelijk zelfstandig naamwoord)

                    fakkel

 

   

       gy·ro·man'tie (vrouwelijk zelfstandig naamwoord)

                    de kunst van het waarzeggen met behulp van tovercirkels

 

 

       hy·dro·fo'bie (vrouwelijk zelfstandig naamwoord)

                    watervrees (als je bang bent voor water)

 

      

       in·cul'pa·tie (vrouwelijk zelfstandig naamwoord)

                    beschuldiging (of het aanklagen)

 

 

       jar'gon (onzijdig zelfstandig naamwoord)

                    taalgebruik binnen een bepaalde groep, vaak

                moeilijk te volgen voor buitenstaanders

               

                (denk aan de taal die advocaten of timmermannen

                bijvoorbeeld tegen elkaar spreken)

 

 

        ka'lanchoë (kaa-lan-goo-ee) (vrouwelijk zelfstandig naamwoord)

                soort vetplant waarvan sommige varianten

                als kamerplant of snijbloem worden gekweekt

 

 

        ly·ra (vrouwelijk zelfstandig naamwoord)

                    draagbare xylofoon

 

 

        man'qué (mannelijk zelfstandig naamwoord)

                    iemand die niet is geworden, wat hij of zij graag

                had willen worden (komt van het woord 'mankeren')

 

       

        nar·cist (mannelijk zelfstandig naamwoord)

                      iemand die erg veel liefde voor zichzelf heeft

                   dit wordt ook wel 'zelfvergoding' genoemd: als-

                   of je jezelf een soort god vindt

 

           

        o·phi·o'liet (onzijdig zelfstandig naamwoord)

                       verzamelnaam voor onderzees gesteente uit magma

 

 

        prze'wal·ski·paard (onzijdig zelfstandig naamwoord)

                       

                        klein wild paard dat vroeger in Europa en Azië leefde, maar

                        rond 1960 in het wild uitstierf en alleen nog in dierentuinen
                        leeft
 
 
        qua·dril'joen (onzijdig zelfstandig naamwoord)
                        een miljoen tot de vierde macht
 
                        dus: 1.000.0004
                              of: 1.000.000 x 1.000.000 x 1.000.000 x 1.000.000
                               

 

        re·o'taxis (vrouwelijk zelfstandig naamwoord)

                    de eigenschap van levende wezens (bijvoorbeeld vissen)

                        die het mogelijk maakt om te reageren op het stromen van water

 

 

        sciën'tisme (onzijdig zelfstandig naamwoord)                 

                        1 denkwijze die alleen gebaseerd is op kennen, weten en

                        wetenschappelijk onderzoek

 

                        2 denkwijze of opvatting dat elke vorm van onderzoek moet

                        plaatsvinden zoals in de natuurwetenschappen

 

 

                tril'jard (onzijdig zelfstandig naamwoord)

 

                                duizend triljoen (een 1 met 21 nullen!)

                   

                                1.000.000.000.000.000.000.000

 

 

                    u·ti·li'teit (vrouwelijk zelfstandig naamwoord)

 

                    nut, bruikbaarheid

                   

                    -> De utiliteit (het nut) van dit project is het belangrijkste.