s=z, les.2.boek-les.1.
Wat hoort er niet bij?
- een auto
- een appel
- vlees
- een vis
Wat hoort er niet bij?
- een vrouw
- een hand
- een ei
- een oor
Wat hoort er niet bij?
- een huis
- een vliegtuig
- een tafel
- een stoel
Wat hoort er niet bij?
- een kopje
- een mes
- een vork
- een hand
Wat hoort er niet bij?
- een mes
- een bus
- een vliegtuig
- een auto
Welke zin kan niet?
- De vrouw zit in de auto.
- De vis zit op de stoel.
- De dokter zit op de stoel.
Welke zin kan niet?
- De dokter staat naast de vrouw.
- Het oor staat naast de dokter.
- De auto staat naast het huis.
Welke zin kan niet?
- Het oor van de dokter.
- De hand van de vrouw.
- De hand van het vliegtuig.
Welke zin kan niet?
- De auto van de dokter.
- Het huis van de vrouw.
- Het huis van het mes.
Welke zin kan niet?
- Het oor van het kopje.
- Het oor van het ei.
- Het oor van de dokter.