J leest bij iedere vraag een zin. Erachter tussen haakjes staat het verwijswoord. Waar verwijst het verwijswoord naar? Het andtwoord moet je in het tekstvak typen. Je moet de volledige verwijzing typen. Niet een enkel woord als er naar een groep woorden verwezen wordt.
Frank wil graag een nieuwe fiets, maar die is erg duur. ( die)
Zijn ouders geven hem geen geld. Dat groeit ons niet op de rug, zeggen ze. ( Dat)
Frank loopt met zijn ouders langs een fietsenwinkel. Er staan mooie fietsen buiten. Frank pakt een fiets bij het stuur. Deze wil ik hebben "", zegt hij tegen zijn ouders. ( Deze)
Voor zijn verjaardag krijgt Frank geld. Hij telt het na. "Dit is nog lang niet genoeg", zegt hij. ( Dit)
Naast de mountain-bike staat een gewone sportfiets. "Deze wil ik niet, al krijg ik geld toe", zegt hij. ( Deze)
Frank pakt een zwarte herenfiets. "Dit vind ik nou een ouwe-lullenfiets", zegt hij. ( Dit)
Moeder wijst naar een fietstasje. "Dat is te klein", zegt Frank. ( Dat)