toets 2. 7 ( woordentoets)


nu uit het hoofd
In de kamer kan ik de auto’s buiten .
Ik kan tussen thee of koffie.
Mijn kleine broer kan heel goed .
Wij gaan alle plaatjes en daarna gaan wij ze .
Mijn is de moeder van mijn moeder.
Mijn is de broer van mijn vader of mijn moeder.
Een jongen is mijn .
Iris is mijn , want zij is een meisje.
Mijn vader en moeder zijn met getrouwd.
Die lange jongen, is dat broer?
Wij hebben een , maar het is geen hond.
Mijn huis is oud, maar het is nog in orde.
Wij komen , maar de buren gaan net van huis.
Zullen wij huiswerk gaan maken?
De jassen aan de kapstok.
Wij mogen niet in de klas, maar doen dat soms wel.
Wij ons werk naar de docent.
Wij vandaag niet samen naar huis.
Voor we moeten we de klas opruimen.
In het weekend moeten wij ons huis .