OWG - OnderWijsWerkgroep, Roermond
                               Naar de vorige paginaTerug naar de overzichtspaginaNaar de volgende pagina  
     
Je bent nu op pagina:  1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23
 

 


Inhoud

Inleiding
Planten
Dieren
Schimmels

Vragen
Opdrachten
Tips
Links en
adressen


Druk hier om dit plaatje te vergroten!

 

 

 

 


Spinnen hebben altijd acht poten, die veel groter zijn dan hun lijf. Hun hele lichaam is meestal bedekt met zintuigharen die deel uitmaken van het zenuwstelsel. Daarmee kan de spin zich oriënteren in zijn omgeving en kan hij prooidieren of gevaar ontdekken. De opmerkelijkste monddelen zijn de gifkaken.

Spinnen maken een web. Met hun spinklieren en spintepels (aan het achterlijf) maken ze spinrag. Het spinrag is eerst vloeibaar maar het verhardt als het wordt uitgetrokken tot een draad. Die draad is bijzonder dun, maar toch enorm sterk en elastisch. Hij wordt gebruikt voor het bekleden van woonkokers, voor het maken van cocons en als transportmiddel voor jonge spinnen. Maar het meest opvallend zijn de kunstig geweven webben. Eerst maakt de spin een veiligheidslijn om op te lopen. Van daar uit weeft hij een web dat bestaat uit raam- en spaakdraden en kleverige vangdraden om prooien te vangen en in te spinnen.

In de herfst zie je vaak planten die versierd zijn met in de wind bewegende, ragfijne draadjes: herfstdraden. Ze zijn het best zichtbaar als de zon er op schijnt. Deze draadjes zijn afkomstig van jonge, heel kleine spinnetjes en het zijn geen mislukte webben. Als je goed oplet zie je hoe de kleine spinnetjes zich een weg banen naar de top van grasstengels en andere planten. Met hun achterlijf omhoog scheiden ze een stroom zijden draadjes af. De wind voert draad en spinnetje met zich mee. Soms over een afstand van honderden meters.