|
|
Inhoud
Inleiding
Planten
Dieren
Schimmels
Vragen
Opdrachten
Tips
Links en
adressen
|
|
Spinnen
hebben altijd acht poten, die veel groter zijn dan hun lijf. Hun hele
lichaam is meestal bedekt met zintuigharen die deel uitmaken van het
zenuwstelsel. Daarmee kan de spin zich oriënteren in zijn omgeving en
kan hij prooidieren of gevaar ontdekken. De opmerkelijkste monddelen
zijn de gifkaken.
Spinnen
maken een web. Met hun spinklieren en spintepels (aan het achterlijf)
maken ze spinrag. Het spinrag is eerst vloeibaar maar het verhardt als
het wordt uitgetrokken tot een draad. Die draad is bijzonder dun, maar
toch enorm sterk en elastisch. Hij wordt gebruikt voor het bekleden
van woonkokers, voor het maken van cocons en als transportmiddel voor
jonge spinnen. Maar het meest opvallend zijn de kunstig geweven webben.
Eerst maakt de spin een veiligheidslijn om op te lopen. Van daar uit
weeft hij een web dat bestaat uit raam- en spaakdraden en kleverige
vangdraden om prooien te vangen en in te spinnen.
In
de herfst zie je vaak planten die versierd zijn met in de wind bewegende,
ragfijne draadjes: herfstdraden. Ze zijn het best zichtbaar als de zon
er op schijnt. Deze draadjes zijn afkomstig van jonge, heel kleine spinnetjes
en het zijn geen mislukte webben. Als je goed oplet zie je hoe de kleine
spinnetjes zich een weg banen naar de top van grasstengels en andere
planten. Met hun achterlijf omhoog scheiden ze een stroom zijden draadjes
af. De wind voert draad en spinnetje met zich mee. Soms over een afstand
van honderden meters.
|
|