Planetoïden
Voor deze tochten van de Pioneer 10 en 11 wist men niet of ze wel
heel zouden aankomen bij Jupiter en Saturnus. Tussen de banen van
Mars en Jupiter is namelijk de planetoïden gordel. Planetoïden betekent:
planeetjes. Het zijn planeetjes van soms een paar honderd kilometer.
De meeste zijn veel kleiner. Stof en gruis komt het meest voor.
Misschien is er in de baan van de planetoïden gordel ooit eens een
planeet geweest, die later door een botsing kapot is gegaan. Veel
last hadden de Pioneers niet van deze planetoïden gordel. Toch konden
de geleerden op Aarde wel de inslagen van het stof 'horen' via de
instrumenten. Nu moet je niet denken: Oh, een beetje stof. Een klein
stofje van een milimeter of minder kan een enorme klap geven op
een ruimtevaartuigje dat met een snelheid van tienduizenden kilometers
per uur vliegt!Een botsing met een zandkorreltje overleeft een sonde
waarschijnlijk niet. In de buurt van Jupiter en Saturnus was heel
veel straling. Gelukkig konden de instrumenten er goed tegen.
Grote plannen
De Pioneers waren eigenlijk verkenners voor een veel mooier plan:
een reis langs Jupiter, Saturnus, Uranus, Neptunus en Pluto. Als
je een ruimtesonde met een grote raket in de richting van Jupiter,
dan gaf Jupiter de sonde een reuzezwaai in de richting van Saturnus,
enzovoort. Het lijkt een beetje op schommelen. Elk zetje brengt
je weer een beetje hoger.Op het laatst zou de snelheid van zo'n
ruimtesonde meer dan honderduizend kilometer per uur zijn! Die kans
zou zich maar éénmaal in de 176 jaar voordoen. Natuurlijk hadden
ze ook wel later kunnen lanceren, maar dan had men een geweldig
grote raket nodig gehad, en die was er niet. Of de reis zou heel
lang gaan duren. Dat wilde men ook niet. Want je kunt een sonde
wel jarenlang laten vliegen, maar elke dag moeten er mensen op Aarde
de sonde in de gaten houden en ze moeten via de radioverbindingen
opdrachten naartoe sturen. Op zo'n grondstation zijn meestal dagelijks
tientallen mensen aanwezig voor alle controles. Daarom wordt een
project met ruimtesondes uiteindelijk vaak gestopt, omdat het te
duur wordt met al die controlerende mensen.
Voyager
Het plan dat men had heette 'Voyager'. Er zouden er twee gelanceerd
worden. Als er dan één kapotging, had je er tenminste nog één over.
De Voyagers kregen heel veel instrumenten aan boord. Ook kregen
ze hele goede camera' of eigenlijk kon je deze camera's haast wel
sterrekijkers noemen. Het waren televisiecamera's die alleen in
zwartwit konden 'fotograferen'. Toch zijn er kleurenfoto's gemaakt.
Hoe doen ze dat?
Eigenlijk heel eenvoudig. Je maakt drie foto's achter elkaar. De
eerste door een rood glaasje (filter), de tweede door een groen
filter en de derde door een blauw filter. Als de foto's overgeseind
waren naar de Aarde dan konden ze daar uit die drie foto's één kleurenfoto
maken. Het werkt ongeveer als de kleurentelevisie. Kijk maar eens
heel dicht bij het scherm, dan zie je dat het kleurenbeeld samengesteld
is uit rode, groene en blauwe streepjes. Je weet vast ook wel, dat
je de kleuren van een televisie heel erg overdreven kunt maken,
zodat mensen oranje gezichten krijgen. Dat deden de geleerden soms
ook met de foto's van de Voyagers. Dan zag je dingen die je anders
niet zag.
De Voyager moest ook een grote antenne hebben. Dat werd een schotelantenne
van wel drie meter in middellijn. Waarom zo groot?
De Voyagers ontvingen gedurende hun reis steeds weer nieuwe commando's
voor de computers aan boord. Dat waren commando's voor de richting
die de Voyagers moesten vliegen, commando's voor de camera's en
andere instrumenten. Als je met een heel grote antenne -en dan moet
je denken aan een schotelantenne van 64 meter- een commando naar
een ruimtesonde stuurt, dan gaat die radiostraling met een enorme
snelheid de ruimte in. Die snelheid is wel 300.000 (driehonderdduizend)
kilometer per seconde.
Maar het doel was om de buitenste planeten te bereiken met de Voyagers.
Die staan zover weg, dat de radiogolven uit de grote antenne op
Aarde er bijna vijf uur over doen om daar terecht te komen!
De signalen zijn dan ook nog maar heel zwak. Heel knap van die Voyagers
om dat nog te 'verstaan'!
Omgekeerd moesten alle radiosignalen van de Voyager ook nog op aarde
te 'verstaan' zijn. Op het laatst waren daarvoor wel vier grote
antennes tegelijk voor nodig. De Voyagers hadden ook elektrische
energie nodig. Voor een reis naar de Planeet Mars kun je nog wel
zonnepanelen gebruiken. Die zonnepanelen maken elektriciteit uit
zonlicht. Voor de Voyagers lag dat wel een beetje anders.Het zonlicht
in de buurt van Neptunus kun je vergelijken met het licht dat wij
op aarde zien als de Maan halfvol is. Dat is dus niet veel.
Daarom hadden de Voyagers een soort atoombatterijen. Radioactief
materiaal dat zoveel hitte geeft, dat je daar elektriciteit uit
kunt halen.
Op reis
In de zomer van 1977 werden de beide Voyagers gelanceerd. Rond die
tijd moest er weer eens bezuinigd worden in Amerika en nog voordat
de beide Voyagers bij Jupiter aankwamen, werd er al besloten dat
er geen geld meer was om de beide ruimtesondes voorbij Saturnus
te volgen.
In 1979 kwamen de beide
Voyagers langs de planeet Jupiter. Ze ontdekten nieuwe manen, een
ring om Jupiter en nog veel meer. Iedereen was heel enthousiast
en opeens was er wel weer geld beschikbaar voor de rest van het
project. Alleen werden de plannen veranderd. Voyager 1 zou na de
passage van Saturnus 'omhoog' gaan vliegen, dus uit ons zonnestelsel
vandaan en Voyager 2 mocht verder vliegen naar Uranus en Neptunus.
Daardoor miste men wel de kans om naar de buitenste planeet Pluto
te vliegen.
Dat het allemaal is gelukt mag een wonder heten, want de Voyager
2 had allerlei kleine en soms grote probleempjes. De radio-ontvanger
stemde niet goed meer af en het mechanisme dat de camera's moest
kunnen draaien liep af en toe vast.
Saturnus, Uranus en Neptunus
In 1980 kwam Voyager 1 bij Saturnus aan en de Voyager 2 volgde in
1981. Ze ontdekten ook weer nieuwe manen en de ringen gaven heel
veel verrassingen.Hierna boog Voyager 1 omhoog en vloog zodoende
van ons zonnestelsel weg.
In 1986 passeerde Voyager
2 Uranus en deed daar weer allerlei ontdekkingen. De maan Miranda
bijvoorbeeld zag er heel vreemd uit, alsof zij helemaal kapot was
geweest en daarna weer in elkaar gezet. Ook werden er weer manen
ontdekt.
De foto's waren mooier dan ooit. Dat lijkt vreemd, want de radiosignalen
worden steeds zwakker en Uranus was zover van de zon af, dat het
er al aardig donker begon te worden. Sinds de lancering echter,
in 1977, waren de technieken op Aarde zoveel verbeterd, en had men
voor de Voyager zulke slimme computerprogramma's gemaakt, dat met
hetzelfde ruimtevaartuig veel betere foto's gemaakt konden worden.
In 1989
kwam Voyager 2 bij de laatste planeet, Neptunus, aan. De grote verrassing
kwam daar van de Neptunusmaan Triton. Daar was van alles op te zien.
Poolkappen met stikstofijs, geisers en pluimen die veroorzaakt waren
door wind.(zie de afbeelding) De Voyager maakte nog een paar
foto's en toen werden de camera's uitgeschakeld. Vanaf dat moment
werden er alleen nog maar metingen gedaan met de andere meetinstrumenten.
Een
gouden plaat
De Voyagers werken nog allebei, maar hun signalen worden wel zwakker.
Niet alleen doordat de afstand steeds groter wordt, maar de atoombatterijen
raken ook uitgewerkt. Men verwacht echter dat ze allebei toch nog
wel tot onveer het jaar 2010 kunnen werken. Daarna gaan ze steeds
verder het heelal in. Misschien dat ze ooit nog eens gevonden door
levende wezens heel ver hier vandaan. Je weet het nooit!
Beide Voyagers hebben een goudkleurige plaat aan boord met daarop
allerlei geluiden van de Aarde, muziek en een aantal foto's die
intelligente wezens zouden kunnen samenstellen uit de geluidjes.
Stel je zoiets voor als de geluidjes die een fax maakt. Daaruit
ontstaan ook plaatjes.
