[ Lessen uit
de praktijk ] [ Oefeningen ] [ Materialen/Informatie ]
OEFENINGEN TER BEVORDERING VAN DE JUISTE ADEMHALING
ZUIGEN:
Lucht inademen als door een rietje/ als door een buis
BUIKADAMHALING:
Inademen alsof je een zwembandje rond het middel moet opblazen (suggestie om laag te
ademen) Variatie: Een leerling ligt op de rug met een doosje op de buik. Bij inademing
moet het doosje omhoog gaan.
LUCHT DUWEN
Inademen en met de handen de lucht uit de buik drukken. Variatie:-Blokfluit aan de
mond. Bij elke druk moet de blokfluit te horen zijn.
DOEDELZAK:
Een leerling blaast 1 adem leeg in een plastic zak. De leerkracht zet een blokfluit
aan de zak en drukt deze zak dan geleidelijk leeg. Controleren hoe lang deze adem reikt.
PAARD:
Uitademen lijk een paard (de lippen trillen)
BLAZEN:
Een potlood rechtop zetten. Vanop een afstand dit proberen om te blazen. Variatie:
kaars vooraan zetten. Vanop een afstand blazen om de vlam te doen bewegen.
WIND:
Bij het uitademen de wind nabootsen (geluid)
SCHOKADEMHALING:
Uitademen op letter s en f, afwisselend met schokjes
TIJDADEMHALING:
Inademen in 4 tijden (langzaam)
HOND:
Hijgen lijk een hond (buik beweegt)
TREIN:
Locomotief nadoen bij de uitademing (tch)
TELLEN:
In 1 uitademing zover mogelijk luidop tellen.
ONTSPANNING:
Inademen met de armen gekruist. Dit veroorzaakt een spanning. Dan de armen langzaam
lossen. Merk op hoeveel lucht er nu nog bij kan.
NEKHULP:
Inademen, dan de nek strekken(kin intrekken en kruin omhoog). Merk op dat dan nog meer
kan ingeademd worden.
RUIKEN:
Ademhalen door de neus zoals ruiken aan een bloem of parfum.
MIDDENRIFBLAZEN:
Uitademen op je vuist alsof je een ballon opblaast.
LUCHT METEN:
Een hoeveelheid water van de ene fles in de andere blazen. Zie bouw van de ademmeter
SCHRIKADEMHALING:
Op teken inademen alsof men schrikt. Daarna uitademen op de letter s.
AFKOELEN:
Uitademen alsof men een hete bitterbal in de mond heeft.
GELIJKMATIG UITADEMEN:
Uitademen alsof men een tube tandpasta leegduwt.(controle van de buikspieren)
FLUIT:
Uitademen door een fluit. Controle hoe lang.
ROKEN:
Bij koud weer: doe alsof je een sigaret rookt.
KAARS:
Een brandende kaars op enige afstand zetten. Samen blazen en het effect op de vlam
waarnemen. Variatie: achteraf de kaars uit klappen (door vlak boven de vlam in de handen
te klappen)
SIRENE:
Op sirenefluitje (wielfluitje dat men die vaak op ballonnen aantreft) een gelijkmatige
toon blazen. Variatie: Een papieren vliegtuigje laten zweven en met de wielfluitjes het
motorgeluid simuleren.