Wind
Korte omschrijving van de les:
In deze les over wind komen aan de orde: het ontstaan van wind en windkrachten.
Leerlingen kunnen alleen of in groepjes met deze lesbrief aan de slag.
De wind door de klas
Stap eens op de fiets bij windkracht zeven. Je kunt dan kiezen: met de wind
mee of tegen de wind in. Met de wind mee is heerlijk; je zoeft lang de weg bijna zonder te
trappen. Maar je zult de andere kant uit moeten! Elke keer moet je op de trappers gaan
staan en je komt nog nauwelijks vooruit.
Allebei komt voor in Nederland. Het is het verschil tussen het noordwesten en het
zuidoosten van het land. Woon je in Den Helder dan heb je elke dag wel een keer wind
tegen. Het waait er bijna altijd. De bomen zijn er helemaal scheef gegroeid. Langs het
Noordhollands Kanaal wijzen de bomen allemaal naar het oosten. Als je daarentegen in Vaals
woont, moet je weliswaar altijd tegen die vervelende berg, maar je hebt veel minder last
van de wind. Voor wind moet je vooral in het open, vlakke landschap van West- en
Noord-Nederland zijn.
Het weer is enorm populair, ook al vindt iedereen het een afgezaagd
onderwerp. Weerberichten zijn de meest
bekeken programma's op radio en televisie. Iedereen kent dus de waarschuwingen
voor storm. Ze zijn er vaak, want West en Noord-Nederland zijn nogal
"winderig". Dat is ook wel logisch: we kijken recht op zee.
Vierduizend kilometer oceaan ligt aan onze voeten. Alleen Engeland
ligt in de weg. Maar een beetje storm trekt zich daar niets van aan.
Waar komt wind eigenlijk vandaan?
In de oudheid waren er allerlei legenden in omloop over goden die vanuit diepe
vulkanen of vanuit de hemel met volle kracht lucht de wereld in bliezen. We weten nu dat
winden ontstaan door verschillen in luchtdruk die in bepaalde gebieden heersen.
Bijna iedereen weet dat, als er veel wind staat in Nederland, dit vrijwel altijd zeewind
is. De zee buldert tegen de kust en grote golven maken een witte schuimmassa. De zee zelf
is natuurlijk niet de oorzaak van die wind. Het is de lucht die erboven zit. Die is
behoorlijk in beweging. En dat gebeurt bijna altijd boven het zelfde deel van de
Atlantische Oceaan.
De
Atlantische Oceaan is de kraamkamer van onze stormen N.B. het
duurt enige tijd voor deze pagina ingelezen is). Het is een zeegebied
tussen Oost-Canada en West-Europa. Daar loopt de scheidingslijn tussen
warme lucht uit de subtropen en koude lucht uit de poolstreken. De
warme lucht is lichter en stijgt, de koude lucht is zwaarder en dringt
eronder. Hoe groter de verschillen in temperatuur, hoe krachtiger
die beweging is. Veel verschil in warmte betekent veel wind. Daarbij
ontstaan op enkele plaatsen langs die scheidingslijn wervels: de lucht
raakt in een draaiende beweging. Dat voert de windsnelheid nog op.
De scheidingslijn heet front, de wervels heten depressies.
Noordwester- en Zuidwesterstormen
Boven zee wordt de luchtbeweging steeds sterker. Het water veroorzaakt bijna
geen wrijving. Dus op weg van Canada naar Europa kan een storm flink wat kracht krijgen.
Maar boven land is de wrijving groot; huizen en bossen doven de kracht van de wind snel
uit. Alleen een zware storm ziet kans om nog een eind Europa in te razen.
Ongeveer 60% van het jaar is de wind in Nederland Zuidwestelijk. Gelukkig zijn
zuidwesterstormen voor ons land niet zo gevaarlijk. Ze waaien voor een groot deel
evenwijdig aan de kust. De zee wordt ook niet hoog opgestuwd, doordat de Noordzee
trechtervormig breder wordt in noordelijke richting.
Veel gevaarlijker zijn noordwesterstormen. In Noord Holland staan ze loodrecht op de kust.
Het zijn deze stormen die in het verleden de overstromingen hebben veroorzaakt. De
bekendste is natuurlijk de storm die de overstromingsramp in Zeeland op 1 februari 1953
teweegbracht. Noordwesterstorm stuwt het water van de Noordzee hoog op tegen de
Nederlandse duinenkust. In de zeegaten van Zeeland komt het water nog hoger. Toen, in
1953, verdronken 1835 mensen. Gevaarlijk was ook dat het juist op die dag springvloed was.
Een springvloed is een extra hoge vloed als zon, maan en aarde in één lijn staan. Het
water kwam natuurlijk niet overal over de dijken heen, die waren nog een stuk hoger. Maar
door de grote druk en de waterstand werden ze doorweekt en bezweken ze.
Beroemde stormen
November heeft de naam 'stormmaand' te zijn. Maar zo precies zijn de stormen toch niet.
Beroemde stormen komen ook in andere maanden voor:
6 november 1921
25 november 1925
1 februari 1953
13 november 1972
2 april 1973
3 januari 1976
25 januari 1990
28 februari 1990
Windkrachten
Stormen komen vooral in het voor- en najaar voor. Dan is de tegenstelling
tussen subtropische en polaire lucht het grootst. Over storm spreken we bij windkracht 9
of meer. De term orkaan betekent windkracht 12 of meer.
De windkracht is een maat voor de windsnelheid en wordt met een getal weergegeven. Zo'n
getal is gemakkelijker dan het aantal meters per seconde. De maximum windkracht krijgt het
getal 12. De wind heeft dan een snelheid van meer dan 117 km per uur.
De verschillende windkrachten en de beschrijving van hun zichtbare
uitwerking zijn ondergebracht in de zogenaamde (Zie ook Beaufortschaal.
Beaufort was een Engelse admiraal die in 1805 zijn systeem invoerde
en daarbij uitging van de werking van de wind op een volgetuigd oorlogsschip.
Voor Nederland zijn een nauwkeurige aanduiding van de stormkracht en een goede
stormwaarschuwingsdienst letterlijk van levensbelang. We kunnen ons niet veroorloven te
wachten tot het water ons onverwachts tot de lippen stijgt.
Opdrachten:
1. Wat is wind eigenlijk?
2. Waaraan kun je zien dat er wind is?
3. Hoe kun je zelf wind maken?
4. Komen er in Nederland ook orkanen voor?
5. Maak je eigen windmolentje (klik hier om werkbeschrijving te downloaden)
- Begin met een vierkant stuk papier.
- Trek de lijnen van de ene hoek naar de andere.
- Knip de helft van de lijnen in. Zó inknippen.
- Buig één hoek naar het midden om. Zet de punt met een plakbandje vast. Doe dit ook met
de andere punten.
- Maak het molentje aan een stokje vast met een spijker met aan weerskanten een kraal. Ga
ermee naar buiten. Nu kun je zien hoe hard het waait!
6. Andere opdrachten
met betrekking tot wind. (Engelstalig maar een echte aanrader)
Tip
Voor de kinderen uit de bovenbouw kunt U de Beaufortschaal kopiëren. Bespreek de
schaal en laat de kinderen een werkblad maken waarbij ze de windkracht moeten bepalen. Het
onderstaande werkblad kan als voorbeeld dienen.
Wat een wind!
Welke windkracht zie je op de tekeningen?
Zet het cijfer en de naam van de wind eronder.
Meer informatie
|