|
| 1. | In de herfst veranderen de bladeren aan de bomen, dan krijg je prachtige ........................... | | 3. | In de herfst heb je vaak last van heftige................. | | 5. | Op een grote....................., rood met witte stippen, zat kabouter Spillebeen, heen en weer te wippen! | | 6. | Van ..............en luciferhoutjes kun je leuke poppetjes en beestjes maken. | | 8. | Een supersnel beestje, met een volle, dikke staart, die goed in bomen kan klimmen, is een ........................... | | 10. | Als het herfst wordt, vallen de ......................... van de bomen. | | 12. | In de maanden oktober en november, kun je 's morgens soms niet ver zien door de ......................... | | 13. | Kleine diertjes met spitse snuitjes en stekels, dat zijn......................... | | 14. | Zomers zijn de bladeren sappig en groen, in de herfst wordt alles droog en ............ | | 15. | Als het regent en je wilt niet nat worden, gebruik je een......... | | 16. | Als het héél hard waait, dan kan het wel ...................... 7 zijn! |
|
|
| 2. | Een paddestoel als deze, is vernoemd naar sprookjesfiguren. Het heet een ...................... | | 4. | Het is heet, bruin, zoet en soms doe je er slagroom op...mmmm lekker! | | 7. | Wanneer het héél hard waait, noem je dat een ............................ | | 8. | Dit is een plaatje van de Nederlandse Spoorwegen. Welke 'herfstvruchten' zie je hier? | | 9. | Geloof jij nog in een mannetje met een rode puntmuts, dus een..............? | | 10. | Als je in het bos een eind gaat lopen, maak je een ......................... | | 11. | Een zoetig kruid, dat je wel gebruikt op gestoofde appeltjes of peertjes. |
|