Spaans in het Nederlands

Onze taal kent woorden die uit allerlei verschillende talen afkomstig zijn. Ook uit het Spaans natuurlijk.

Taalmeester Theo Herrman schreef er dit stukje over:

Daar is geen woord Spaans bij. Of toch?  

 

Eén onzer gewaardeerde collega’s is van Spaanse afkomst. Oppervlakkig gezien zou men niet zo snel op dat idee komen, maar als men het eenmaal weet en hem eens goed aankijkt, zegt men al gauw: “…mja…”. Bedoelde collega vond in zijn afstamming voldoende aanleiding om mij de vraag voor te schotelen of de Nederlandse woordenschat ook woorden van Spaanse herkomst bevat. Gezien de veelvuldige contacten in verleden en heden tussen Spanje en Nederland besloot ik de vraag bevestigend te beantwoorden. Maar voorbeelden wilden me, Madre de Dios, zo snel niet te binnen schieten.

Terwijl een niet onaanzienlijk deel der Nederlandse bevolking zich aan de Costa zus of zo liet bakken en braden, bleef de vraag mij min of meer achtervolgen. Ik was weer eens de sigaar, de sigaar die, nog onbetwistbaarder misschien dan de vraagsteller, een Spaanse afstamming heeft. Bij het Spaanse cigarro  behoort het werkwoord cigarrar, dat “in een rol samenwikkelen” betekent. Voorwerp noch activiteit hebben de Spanjaarden van zichzelf: ze hebben het uit Zuid-Amerika genomen, net als nogal wat andere zaken, zoals daar zijn: grote hoeveelheden goud en zilver en links en rechts, bijna achteloos, heel wat mensenlevens. In dit geval ligt de echte bakermat van het woord bij de Maya’s. Die hadden er het woord sigar voor. Natuurlijk is de sigaret een aftakking van de zelfde stamboom. We hebben er (bijna) allemaal, al of niet stiekem, weleens één opgestoken, misschien wel een caballero (alléén voor heren, denk erom).

De eerste tabak waar wij in West-Europa kennis mee maakten, kwam in de zelfde periode uit het zelfde  werelddeel. Tabaco, zo  noemde men op Haïti de rol of het pijpje waarmee men de rook van de plant opzoog.  Die naam gaf de Spanjool vervolgens aan de hele plant, althans aan de gedroogde bladeren ervan.

In het woord Spanjool proeft u, niet ten onrechte, enige laatdunkendheid. Het ontstond dan ook tijdens de 80-jarige oorlog. Mogen wij de geschiedenisboekjes geloven, dan was dat een buitengewoon held- en krijgshaftige episode uit onze nationale historie. Althans wat onze eigen rol daarin betreft; de Spaanse tegenpartij kenmerkte zich vooral door doortraptheid en lafhartigheid. Het was regelrecht afgeleid, of veeleer een verbastering, van Espagnol.

Dat kan ook gesteld worden ten aanzien van het woord spinjoel. Hoe zegt u, heer taalmeester? Spinjoel? Jazeker, dat was de benaming voor een klein soort jachthond, uit Spanje afkomstig. Of het ras bij ons uitstierf is mij niet bekend, maar het woord deed dat wel. Engelsen, conservatiever van aard en aanleg dan wij, hebben het woord wel bewaard en gekoesterd, zodat het als leenwoord uit het Engels bij ons kon terugkeren als spaniel.

Wij hadden het in die 80-jarige oorlog – wie kan de jaartalletjes nog uit het blote hoofd ophoesten? – begrijpelijkerwijs niet zo begrepen op Spanje, noch op wat of wie daar vandaan kwam. Het echte, van de diepste minachting getuigende scheldwoord voor Spanjaarden was: maranen; een marana is een (Spaans) varken en de Spanjaarden zelf, zich misschien bewust van de Arabische herkomst van het woord (mahram – het onreine), scholden er Joden en Islamieten mee uit. Ja, ook toen al… Uit haat en afkeer werden in die 16de en 17de eeuw ook uitdrukkingen geboren als Spaanse pokken (syfilis) en het Spaans benauwd hebben. Maar daar is op zichzelf geen woord Spaans bij.

Ons volk, het schijnt vooral te gelden voor de bewoners van de noordelijker delen van ons land, blonk nimmer uit in luchthartig- en lichtvoetigheid. Wanneer het om dans of muziek ging, moesten we dan ook vaak bekennen: “Daar zijn geen woorden voor…” En als we die dan toch van node hadden, haalden we ze (soms) uit het … Spaans: bolero, paso doble, rumba, tango. En iedereen kent natuurlijk de Spaanse gitaar. Als er één Spaans woord is met een internationale, men mag gerust zeggen: wereldwijde carrière, dan is het wel gitarra. Oorspronkelijk komt het uit het Perzisch en het is door Griekse en Arabische bemiddeling op het Iberisch schiereiland verzeild geraakt. Via het Griekse kithara, het Latijnse cithara en het Franse cithare kennen we het óók nog als cither. Ja, Gods wegen zijn vaak ondoorgrondelijk en die van de taal niet minder.

Wat, om maar eens iets te noemen, is er nou onschuldiger dan een eenvoudige hagedis? El lagarto, gelijk de Spanjaard zegt. Door versmelting van het lidwoord met het zelfstandig naamwoord evolueerde dat argeloze wezentje evenwel tot de arglistige en alom gevreesde alligator. Wie voor een dubbeltje geboren is, wordt dus toch weleens een kwartje. Of zelfs meer.

 De guerrilla van de kannibalen

 Wij zijn de kannibalen.

Wij eten mensenvlees,

en valt er wat te vieren,

dan eten wij Chinees.

 Serieuze, literair geschoolde Britten (dus bijna alle Britten) catalogiseren de regels hierboven zonder mankeren en vrijwel zonder nadenken (ook een typisch Brits trekje?) als light verse. Wij, gierige Nederlanders, hebben er slechts het schrale en schriele woord “versje” voor over. Het komt uit de koker van Marjolein Kool en vormt een opstapje naar een vervolg over Spaanse woorden in ons onvolprezen Nederlands.

Eens te meer geven naslagwerken mij de onontbeerlijke feed-back. Ik pronk dus, (ik beken, ik beken alles, zij het schoorvoetend)  met andermans veren in dit stukje.

Toen Columbus het Caraïbisch gebied binnenvoer – of is het: vaarde? – betitelde hij de bewoners als Caribal. De Spanjaarden zelf, die het aan aanleg tot racisme niet ontbrak, associeerden deze benaming met het woord can (hond) en kwamen tot Canibal. Hadden wij daar geen kannibaal van gemaakt, dan was mejuffrouw Kools versje ongeschreven gebleven.

Vanzelfsprekend oefende de taal van de conquistadores – ontdekkers of plunderaars? – een aanmerkelijke invloed uit. Spaanse zeevaarders leverden ons aardig wat nieuwe woorden, tornado bijvoorbeeld, en galéon (galjoen). Embargo bereikte ons uit de handelswereld. In het kielzog van de varensgasten en in het voetspoor van de veroveraars wist die handelswereld wereldhandel te ontwikkelen. Talloze nieuwe producten bracht zij vanuit de Nieuwe Wereld tot ons. We hadden het al over tabak en sigaren, maar wat dacht u van tomaten (tomates), cacao en chocola (chocolate)?

Het Nahuatl, de taal der Azteken, kende het woord tomatl en de Azteekse keizer Montezuma mocht gaarne een kop dampende chocolatl nuttigen, op smaak gebracht met chilipepers en/of vanille. En vergeet ook de patates niet, die alleen toen echt nieuw voor ons waren.

Niet alleen naslagwerken hielpen mij bij het vergaren van Spaanse woorden in onze woordenschat. Ik heb ook assistentie gekregen van een strenge meesteres, een taalmeesteres, wel te verstaan. Een door mijn collega Spaans zorgvuldig gecomponeerd lijstje leert, dat wij vooral woorden lenen ter benoeming van de geneugten des levens. Onze eigen taal is daar kennelijk niet bijzonder sterk in.

In haar opsomming prijken o.m. tequila, costa, siesta, tapa (het zo langzamerhand ook in Nederland her en der verkrijgbare hapje voor tussendoor, dat smakelijker klinkt dan snack), paella en sangría. Niet voor niets is dat laatste woord voorzien van een accentteken op de i; daar behoort namelijk de klemtoon op te liggen. Ook de tequila dient anders uitgesproken te worden dan wij eigengereide Hollanders meestal doen: onze uitspraak als tequilja zou immers in het Spaans met ll geschreven worden. Bij tapa tekent mijn collega aan dat het letterlijk “deksel” betekent en eigenlijk oorspronkelijk een schijfje worst aanduidde dat op een glas werd gelegd – tegen vliegen, schrijft ze erbij. Deksels (tapas ?), dat heb ik nooit geweten…

Dat het gebrek aan eigen opgewekte en vrolijke bewoordingen reden of oorzaak van ontlening zou zijn, is natuurlijk niet waar. Nederlanders leren in den vreemde nieuwe, tot dan toe niet gekende genoegens kennen, gerechten bijvoorbeeld, en brengen dan met het recept ook de benaming mee naar huis. Zo komen we ook, zij het uit andere landen, aan pizza’s, macaroni, spaghetti, nasi en bami goreng, loempia’s enzovoort en zo verder.

Worden de genietingen ons te intens en dreigen ze ons te overmeesteren, dan moeten we ons ertegen beschermen. Als de al dan niet Spaanse zon ons al te heet wordt, nemen we onze toevlucht tot een parasol, ook al zo’n Spaans woord dat zich in het Nederlands burgerrecht heeft verworven. In het Spaans staat het ook voor een zonneklep, of voor een zonnekap op bijv. een camera.

Onder de noemer “leuke dingen voor de mensen”valt nog  flamenco, in het Spaans een homoniem dat Vlaams, Vlaming (wie had het daar over leuke dingen voor de mensen?) en flamingo kan betekenen, maar vooral bekend is als naam van een dans die nog het meest wegheeft van watertrappelen op het droge. Althans, voor een leek zoals ik – ik heb absoluut geen verstand van zwemmen, anders was ik wel badmeester geworden i.p.v. schoolmeester.

Twee woorden op het lijstje duiden zaken aan, waarvan slechts weinigen echt genieten: junta (een door militairen gevoerd, meestal dictatoriaal bewind) en guerrilla (lett. “kleine oorlog”, het door een minderheid gepleegde gewapend verzet tegen een als verwerpelijk beschouwde regering). Verre van aangename begrippen, die in de geschiedenis bij herhaling opgeld hebben gedaan. Niet alleen in de geschiedenis, helaas…