|
Domein
C: Ontwerpen en maken van producten |
|
Oplossen |
|
14. |
De leerlingen
kunnen een aantal technische ontwerpproblemen oplossen
via een model voor probleemoplossend handelen. |
|
|
Het gaat hierbij
om het oplossen van: |
|
|
-
verbindings- en constructieproblemen;
-
overbrengingsproblemen (omzetten van beweging en
kracht);
-
besturingsproblemen (meten, sturen, regelen).
|
|
|
|
|
|
Ontwerpen |
|
15. |
De leerlingen
kunnen voor een technisch product een ontwerp maken. |
|
|
Zij kunnen: |
|
|
-
een technisch probleem herkennen en specificeren;
-
prioriteiten en randvoorwaarden vaststellen;
-
een eenvoudige schets, werktekening of uitslag maken
van een ontwerp met en zonder gebruikmaking van de
computer. Hiervoor moeten zij relevante symbolen kunnen
lezen en tekenen.
-
een werkplan maken, met of zonder aanwijzingen, voor
het uitvoeren van een ontwerp.
|
|
|
|
|
|
Maken |
|
|
De leerlingen
kunnen: |
|
16. |
een product
volgens een eigen ontwerp bouwen. |
|
|
Voor het product
(werkstuk) dat ook de vorm kan hebben van een model kunnen
diverse materialen gebruikt kunnen worden zoals hout,
textiel, kunststof of metaal, modelbouwsystemen als ook
combinaties daarvan. |
|
17. |
metingen uitvoeren
en gegevens van werktekeningen overbrengen op materialen; |
|
18. |
handelingen
correct, veilig en milieubewust uitvoeren op het gebied
van verspanen, vervormen, verbinden en samenstellen, waarbij
van hout en/of kunststof en/of textiel en/of metaal gebruik
wordt gemaakt. |
|
Gebruiken/verbeteren |
|
19. |
De leerlingen
kunnen het technische ontwerpproces en het product (werkstuk)
evalueren, daarbij rekening houdend met ontwerpeisen en
andere randvoorwaarden, en op basis van de evaluatie voorstellen
doen voor verbetering. |